Column – Nog eenmaal

Ik denk de laatste weken vaker aan haar dan ik in lange tijd heb gedaan. Mijn oma. Opeens was ze er niet meer. Zonder dat iemand het merkte, sliep ze vier jaar geleden vredig in met een glimlach op haar gezicht. Het typeerde haar dat ze zelfs tot in de dood ongrijpbaar bleef. Steeds meer besef ik hoeveel we op elkaar leken. Misschien juist omdat er afstand nodig is in zowel tijd als ruimte om alles helderder te zien. Ik erfde niet alleen mijn schoenmaat 36 van haar maar ook mijn voorliefde voor schrijven en de Franse taal. En dat niet alleen, misschien hadden we wel het meest gemeen dat zij – net als ik – haar fijngevoeligheid enkel kon toevertrouwen aan het papier.

Mijn oma droomde veel als meisje. Over studeren, voor de klas staan en bovenal over schrijven. In plaats daarvan kreeg ze vier dochters. Niettemin bleef ze dromen. Hoewel ze nooit lerares werd, en nimmer een boek schreef, maakte ze zich wel het Frans zo goed eigen dat ze door kon gaan voor een Franҫaise. Ook stopte ze nooit met dichten. Wellicht werd ze pas volledig zichzelf toen haar kinderen uitvlogen. Dat hoop ik tenminste. Ik herinner me haar in ieder geval als die welhaast on-Nederlandse vrouw die onverzettelijk haar eigen pad bewandelde.

Ze zag me. Denk ik. Ik denk dat ze kon zien wie ik werkelijk was. Pas nu ik zelf moeder ben, zie ik in dat ze datgene in mij probeerde te voeden dat zij als enige al waarnam. Als kind gaf ze me dagboeken, notitieboeken in een linnen omslag en vulpennen met groene inkt. Later leende ze me haar boeken van Albert Camus die tegenwoordig in mijn boekenkast prijken. Ook schreven we elkaar brieven. In het Nederlands of in het Frans. Ik weet niet meer precies wanneer, maar op een gegeven moment werden haar dromen ook mijn dromen. Ik denk dat niemand trotser op me was dan mijn oma toen ik uiteindelijk ging studeren en een baan aanvaardde als docent Nederlands.

De tijd kreeg meer vat op haar dan op mij. En op die ene stormachtige herfstdag in november droegen we haar in een witgelakte kist naar buiten. Ze verdween, ze zweefde simpelweg bij ons vandaan, als een vogel die werd opgetild door de wind. Althans, dat houd ik mezelf voor want dood zijn lijkt me zo kil en koud. Soms denk ik dat ze er nog is. Als ik in het voorbijgaan bij iemand een zweem van Anaïs Anaïs ruik. Of wanneer mijn moeder de telefoon opneemt en mijn oma in haar stem weerklinkt. Desalniettemin is het besef inmiddels neergedaald dat ze er echt niet meer is.

Toen ik onlangs mijn boekcontract ondertekende, bekroop me het gevoel hoe jammer het was dat ze dat niet meer mocht meemaken. En sindsdien heeft ze zich in mijn hoofd verschanst als een reflectie van zichzelf. Ze komt bij voorkeur tevoorschijn als de schemer invalt, als ik al wakker lig voor het ochtendgloren, of wanneer ik me op een ander moment ongezien waan. Zodra ik echter voorgoed afscheid van haar wil nemen, vervaagt ze. Ik kan niet in woorden vatten hoe graag ik haar nog eenmaal zou willen zien. Une fois de plus. Kon ik haar nog maar een laatste keer vasthouden, me voorover buigen en in haar oor fluisteren: ‘Dag oma, ik heb onze dromen waargemaakt. En dat deed ik niet alleen voor mezelf maar ook een beetje voor jou. Rust nu maar zacht.

Delen:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *